Overeenkomstig art. 30 van het Reglement van orde stelt het raadslid Bom (Hart voor Den Haag) de volgende vragen:

  1. Is het college het met Hart voor Den Haag eens dat het te gemakkelijk heeft afgezien van een belangenafweging die de belangen van de omwonenden heeft geborgd, zoals blijkt uit de vergunningverlening Padelbanen Laan van Poot en Van Hogenhoucklaan? Zo nee, waarom niet?

    Uit landelijke berichtgeving blijkt in veel gemeenten een misvatting te zijn geweest dat Padel en Tennis vergelijkbare takken van sport zouden zijn voor wat betreft geluidproductie.
  2. Kan het college aangeven hoe zij in het vervolg door uitwisseling vóóraf met de Omgevings Dienst Haaglanden (ODH) en andere gemeentes naar omwonenden en initiatiefnemers duidelijkheid kan verschaffen wat wel en niet vergund kan worden? En zo nee, waarom acht het college het niet haar bevoegdheid en plicht om de burger vooraf hierover grondig te informeren (overeenkomstig besluit Activiteiten Leefomgeving 2018 artikel 2.9)? 
  3. Wethouder Mulder heeft in debat met de raad schadeverhaal door initiatiefnemer ingebracht. Kan het college aangeven waarom niet tegelijkertijd schadeverhaal door omwonenden aan de raad is gepresenteerd om een zorgvuldige afweging van belangen in openbaar debat te kunnen maken? 
  4. Blijkens de vergunning heeft het college niet gemotiveerd waarom Padel vergelijkbaar zou zijn met Squash en Tennis uit de limitatieve opsomming in de beheersverordening. Dit moet wel. Kan het college aangeven waarom dit niet is gebeurd? 
  5. Zowel uit het geluidspredictieonderzoek Van Hogenhoucklaan van september 2021 als uit de geluidsmetingen Laan van Poot uit juli 2021 is komen vast te staan dat op het punt van geluid de sporten onvergelijkbaar zijn voor wat betreft hun ruimtelijke impact. Kan het college aangeven op welke gronden ze de te verwachte geluiddruk geen toets vindt voor een Goede Ruimtelijke Ordening? 
  6. Blijkens de vergunning heeft het college de aanvraag niet voorgelegd aan de onafhankelijke monumenten- en welstandscommissie, hoewel het bouwen in beschermd stadsgezicht betreft. Ze motiveert dat door te wijzen op een tijdelijke vergunning voor 10 jaar. Kan het college aangeven op welke gronden ze het wenselijk heeft gevonden de ‘kan’ bepaling hier zo uit te leggen dat in deze een onafhankelijker toets achterwege kon blijven, in de wetenschap dat er een muur van meer dan 5×36 meter bij de vergunning behoort? Indien nee, hoe denkt het college te voorzien in haar wettelijke verantwoordelijkheid voor de welstand?