Overeenkomstig Artikel 30 van het Reglement van orde stelt het lid Janice Rooptram (Hart voor Den Haag / Groep de Mos) vragen aan de voorzitter van de Haagse gemeenteraad:


Met de overheveling van de jeugd-ggz naar de gemeenten was het de bedoeling om juist de zorg dicht bij huis brengen en aansluiten op de hulpvraag van patiënt en ouders. En een betere samenwerking tussen professionals in de wijk. Zowel indicering, financiering als behandeling zijn onder de regie van één instantie, de gemeente. De ene keer onderhandelt de specialist met gemeenten over zorgbudgetten, de andere keer over de behandeling van patiënten. Dat botst, want gemeenten bieden zelf ook zorg en behandeling, via de buurt- of sociale wijkteams. Zij kunnen, net als de huisarts, verwijzen naar de kinder- en jeugdpsychiater voor medisch-specialistische zorg. Kinder- en jeugdpsychiaters moeten overal zichtbaar zijn: in het ziekenhuis, op de hoek van de straat en op allerlei plekken daar tussenin, zoals in de wijkteams. Zij hebben de expertise om te bepalen of een kind psychiatrische behandeling nodig heeft, of dat bijvoorbeeld ondersteuning van het gezin voldoet. Naar aanleiding van de uitzending over jeugdzorg van de tv-programma De Hofbar stelt raadslid Roopram de volgende vragen:

  1. Kan het college zich indenken dat de uitspraken die zijn gedaan tijdens het interview in het tv-programma De Hofbar een behoorlijke impact hebben gemaakt op veel mensen, waaronder ouders van kwetsbare kinderen? (*)

De wijkteammedewerkers zijn vaak niet getraind in het onderkennen van kinder- en jeugdpsychiatrische stoornissen. Bijvoorbeeld wijkteammedewerkers die bij een kind met een angststoornis als advies geven: “doe het kind op een vechtsport, dan leert het flinker te worden”.

  1. De staatssecretaris heeft aangegeven dat een kind liever gediagnostiseerd moet worden door een specialist. Dat is ook het uitgangspunt van de Jeugdwet. Hoe gaat het college dit nu wel regelen en hoeveel kinder- en jeugdpsychiaters zijn momenteel vertegenwoordigd in de wijkteams?
  2. Kan het college aangeven hoeveel verwijzingen er zijn gedaan door de wijkteams naar kinder- en jeugdpsychiaters?
  3. Is het college bereid om samen met partners, jeugdprofessionals ervaringsdeskundigen kritisch het jeugdbeleid-GGZ te bekijken, de vinger aan de pols houden, te monitoren en te verbeteren?

Vaak zijn de wijkteams binnen een gemeente verschillend samengesteld, afhankelijk van de overheersende problematiek in de wijk. In de ene wijk is bijvoorbeeld een gedragskundige in het wijkteamlid vertegenwoordigd en in een andere wijk een casemanager dementie of een trajectbegeleider psychiatrie. Het klinkt als voor de hand liggend, maar in de praktijk wordt nog te weinig gebruik gemaakt van de expertise die aanwezig is in de andere wijkteams.

  1. Kan het college aangeven hoe de wijkteams zijn verdeeld in de wijken en wordt er rekening gehouden met de overheersende problematiek in de wijk? Wat zijn de overheersende problemen in de wijken? Graag per wijk aangeven.
  2. Wie houdt de vinger aan de pols als specialistische zorg is ingezet en controleert of afspraken worden nagekomen en doelen zijn behaald? Zijn hier duidelijke werkafspraken over gemaakt en hoe zien deze eruit?
  3. Hoe ziet de monitoring en evaluatie van ingezette zorg eruit?

Uithuisgeplaatste kinderen komen in de ‘carrousel van de jeugdzorg’ terecht en worden gemiddeld zes keer doorgeplaatst in het hele land, ver van hun vertrouwde omgeving en netwerk. En kinderen die op een groep wonen hebben gemiddeld al zo’n 65 hulpverleners gezien. Sommigen zelfs meer dan 100.

  1. Wat is de inzet van het college om ervoor te zorgen dat kinderen de juiste professionele hulp krijgen in hun eigen vertrouwde omgeving?
  2. Wordt er aan de kinderen en de gezinnen gevraagd of zij zich echt geholpen voelen?
  3. Spelen financiële overwegingen een rol bij de inzet van specialistische zorg? Zo nee, waarom niet?

(*)
https://www.npostart.nl/de-hofbar/17-11-2020/POW_04779832

Janice Roopram
Hart voor Den Haag/Groep de Mos